|
2008-06-16 NVP geeft tweede reactie op voorstellen Carried Interest De Tweede Kamer heeft besloten een extra schriftelijke ronde in te lassen om nog meer vragen te kunnen stellen over het wetsvoorstel excessieve beloningsbestanddelen. De NVP heeft een tweede reactie gegeven waarin op de belangrijkste punten wordt ingegaan.
De politieke druk mag de evenwichtigheid, duidelijkheid en volledigheid van een wet niet in de weg staan. De NVP vraagt nogmaals om de materieel terugwerkende kracht te herzien. Er wordt aandacht gevraagd voor de kleinere fondsen die onder de regeling Seed Capital Technostarters zijn opgericht. Ook wordt gevraagd naar de fiscale gevolgen in geval van verschillende kapitaalronden bij venture capital.
Voor de volledige reactie zie hieronder Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vaste Kamercommissie voor Financiën
Mr. R.F. Berck, griffier
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
Amsterdam, 13 juni 2008
Betreft: Reactie NVP op nota naar aanleiding verslag en nota van wijziging betreffende het wetsvoorstel Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen
Geachte leden van de vaste Kamercommissie voor Financiën,
De Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (hierna 'de NVP') heeft met belangstelling kennis genomen van de nota naar aanleiding van verslag en de nota van wijziging betreffende het Wetsvoorstel Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen (hierna ‘het Wetsvoorstel’).
Algemeen
Zoals ook al eerder verwoord kan de NVP zich vinden in een meer evenwichtige belastingheffing binnen het bestaande belastingstelsel ten aanzien van carried interest regelingen, mede om een einde te maken aan de huidige praktijk van fiscale onzekerheid en rechtsongelijkheid tussen partijen.
Naar aanleiding van het verschijnen van de nota naar aanleiding van het verslag en de nota van wijziging heeft de NVP aanleiding gezien nader inhoudelijk te reageren, omdat een aantal essentiële punten nog niet zijn opgelost c.q. verduidelijking behoeven. Wij beperken ons in deze reactie tot de belangrijkste punten.
Wij zullen hieronder op de volgende onderwerpen ingaan:
- Advies Raad van State om het onderdeel ‘carried interest’ uit het huidige wetsvoorstel halen
- Terugwerkende kracht en het ontbreken van overgangsmaatregelen
- Speciale positie kleine fondsen
- Het bereik van de regeling
- Onduidelijkheden in wetgeving
Advies Raad van State onderdeel ‘carried interest’ uit wetsvoorstel
De Raad van State heeft geadviseerd het wetsvoorstel in verband met de complexiteit van de belastingheffing over carried interest te heroverwegen. Ook een aantal leden van uw Kamer is van mening dat de materie zo technisch is dat dit onderdeel nader bestudeerd moet worden. In eerste instantie heeft de NVP niet hierin willen meegaan. Nu onderschrijft de NVP het advies van de Raad van State volledig. Er zijn namelijk nog veel vragen blijven bestaan na het verschijnen van de nota naar aanleiding van het verslag. De politieke druk mag de evenwichtigheid, duidelijkheid en volledigheid van een wet niet in de weg staan.
In zijn algemeenheid merkt de NVP op dat er in de media, maar ook in de parlementaire stukken inzake het wetsvoorstel, vaak voorbij wordt gegaan aan het feit dat managers wel degelijk risicovol moeten investeren voor hun vermogensrecht (carried interest) in het fonds. Er is geen sprake van dat zij bepaalde rechten om niet ‘verkrijgen’, maar zij investeren daadwerkelijk en lopen daarmee ook risico.
Voor de NVP blijven de volgende punten van groot belang.
Materieel terugwerkende kracht
Het Wetsvoorstel bevat geen eerbiedigende werking voor bestaande lucratieve belangen. De waarde van het belang dat is aangegroeid voor de datum inwerkingtreding van het Wetsvoorstel, wordt bij realisatie volledig belast in box 1. Dit betekent dat effectief sprake is van terugwerkende kracht. De NVP vindt dit onaanvaardbaar en acht dit een ernstige schending van de rechtszekerheid. De terugwerkende kracht van het wetsvoorstel druist in tegen de eisen van redelijkheid en billijkheid en schaadt de positie van Nederland als fiscaal betrouwbaar vestigingsklimaat. Terugwerkende kracht is in casu niet te rechtvaardigen doordat sprake zou zijn van misbruik of oneigenlijk gebruik. Daarvan is geen sprake, en dat is zelfs expliciet bevestigd door het Ministerie van Financiën bij de beantwoording van vragen gesteld door de Kamerleden Irrgang en Karabulut over de wijze van belastingheffing bij private equity managers. Eerbiedigende werking voor bestaande lucratieve belangen, althans die belangen die bestonden op 13 mei 2008, zou op zijn plaats zijn. En als geen eerbiedigende werking wordt toegepast, zou op zijn minst een ‘step-up’ moeten worden verleend met betrekking tot lucratieve belangen die ten tijde van de indiening van het Wetsvoorstel (13 mei 2008) reeds werden gehouden. Dit is in het verleden in vergelijkbare situaties ook altijd gebeurd, bijvoorbeeld bij de herziening van het aanmerkelijk belangregime per 1 januari 1997. Voor een dergelijke step-up kan zeer eenvoudig worden aangeknoopt bij de waardering voor box 3 per einde kalenderjaar, dan wel, indien het vermogensrecht thans een direct gehouden aanmerkelijk belang betreft, bij een eenmalige waardering (het Wetsvoorstel betreft immers maar een relatief beperkt aantal personen).
De toezegging in de nota naar aanleiding van verslag om de aanslagen over de jaren waarin waardegroei heeft plaatsgevonden en reeds belasting is betaald in Box 3, te herzien, betreft puur het wegnemen van dubbele belasting, maar ondervangt niet het principiële punt van de terugwerkende kracht.
In dit verband zij verder opgemerkt dat het een misvatting is dat houders van carried interests deze vermogensrechten altijd als een box 3 belang houden. Er zijn ook situaties dat dergelijke vermogensrechten als een box 2 belang (aanmerkelijk belang) worden gehouden. In deze situaties wordt het aanmerkelijke belang niet altijd op een middellijke wijze gehouden, maar is sprake van een direct in privé gehouden aanmerkelijk belang. Deze natuurlijk personen zien zich nu alsnog genoodzaakt om een BV op te richten, met alle kosten en administratieve lasten van dien, om aan artikel 3.95b, lid 5 te kunnen voldoen. Indien de wetgever geen eerbiedigende werking dan wel een step-up wil toepassen, dan vraagt de NVP voor deze situaties ten minste een overgangsregime waarbij het aanmerkelijk belang ‘geruisloos’ kan worden doorgeschoven in een BV.
Kleine fondsen
Kleine venture capital en buyout fondsen worden extra geraakt door de materieel terugwerkende kracht. Daarbij moet vooral gedacht worden aan de Technopartner Seedfondsen, die onder de Regeling Seed Capital Technostarters zijn opgezet (maximale omvang acht miljoen euro). De salarissen van fondsmanagers en hun staf, evenals andere fondskosten moeten betaald worden uit de management fee van 2% over de fondsomvang. Daarnaast hebben de fondsmanagers ongeveer 1% van het fondsvermogen in hun eigen fonds geïnvesteerd om carried interest rechten te verkrijgen. Toen de inmiddels 17 seedfondsen met een beschikbaar vermogen van 120 miljoen euro werden opgezet mochten de oprichters er vanuit gaan dat de voordelen uit de carried interest een compensatie voor hun investeringsrisico zou opleveren. Deze voordelen worden door de voorgestelde maatregelen mogelijk met 52% belast. Wij hebben diverse signalen ontvangen dat betreffende fonds managers van plan zijn hun seedfondsen te beëindigen. Dit zou een succesvol element uit het innovatiebeleid van de huidige regering teniet doen.
De start-ups waarin venture capital/seed fondsen investeren
Een typisch kenmerk van de start-ups waarin venture capital fondsen investeren, is de financiering van opeenvolgende ‘ milestones’ van het jonge bedrijf middels verschillende rondes van kapitaalstortingen. Daarbij is het niet ongebruikelijk dat de initial investor (degene die de start-up begon) zodanig verwatert dat hij minder dan 10% van het geplaatste kapitaal overhoudt. Neem het voorbeeld van 3 wetenschappers, zoals ook is verwoord in de nota naar aanleiding van het verslag, pagina 31. De normale werkwijze bij venture is dat er diverse investeringsronden nodig zijn. De investeerder die het laatste erbij komt is preferent boven de andere aandeelhouders (c.q. eerdere investeerders). Dat wil zeggen de 3 wetenschappers (thans management), die ooit begonnen zijn, houden de meest achtergestelde vorm van eigen vermogen, en kunnen verwateren tot onder de 10% van het totale geplaatste kapitaal. Indien dat gebeurt, ontstaat op dat moment een ‘lucratief belang’ (tenzij de NVP het voorbeeld op pag. 31 verkeerd interpreteert). Indien vervolgens een bank bereid is om een deel van het meer preferente kapitaal te financieren zodat het preferente kapitaal kan worden terugbetaald aan het venture capital fonds, kan het zijn dat de wetenschappers wederom boven de grens van 10% uitkomen. Dan houden zij niet langer een lucratief belang meer. Op dat moment dienen zij fiscaal af te rekenen over de eventueel ontstane meerwaarde, zonder dat zij een realisatie hebben. Zij beschikken op dat moment dus niet over cash om aan hun fiscale verplichtingen te kunnen voldoen. Evenmin kan worden doorgestoten in de zin van art. 3.95b lid 5 indien hun belang middellijk wordt gehouden. Er is sprake van ‘phantom income’ dat niet kan worden doorgestoten. De managers worden dan belast in box 1, zonder dat zij opbrengst genieten. De NVP stelt dat ten minst een mogelijkheid moet bestaan om belastingheffing over ‘phantom income’ dat wordt gecreëerd door het Wetsvoorstel, uit te stellen middels een systeem van bijv. een conserverende aanslag.
Los van het bovenstaande, vraagt de NVP zich verder af met betrekking tot het voorbeeld op pagina 31 hoe het oordeel met betrekking tot het lucratieve belang is wanneer er sprake is van 9% gewone aandelen en 91% preferente aandelen.
Bereik van de regeling
De nota naar aanleiding van het verslag wijdt veel woorden aan het bereik van de voorgestelde regeling. Wat nog niet duidelijk is na lezing van pagina 28 over de ‘ leaver-bepalingen’ is de good leaversituatie. Wat gebeurt er ingeval een werknemer een participatieregeling heeft waarbij hij voor de aandelen of de winstdelende lening de waarde in het economische verkeer betaalt en een vertrekregeling heeft als volgt: als bad leaver ontvangt hij de kostprijs terug van zijn investering, als good leaver ontvangt hij maximaal de waarde in het economische verkeer. Is het de bedoeling van de wetgever dat in een dergelijke situatie geen sprake is van een lucratief belang?
Onduidelijkheden in wetgeving
Een vraag die in de praktijk blijft leven is het vereiste rondom de doorstootverplichting in Artikel 3.95b, lid 5. De NVP vraagt om een toezegging dat het de bedoeling van de wetgever is 95% door te stoten minus de reeds verschuldigde vennootschapsbelasting die de tussenliggende entiteit dient te betalen ter zake van de opbrengst van het lucratieve belang. Anders kan immers nooit worden voldaan aan de doorstootverplichting indien de tussenliggende entiteit geen beroep kan doen op de deelnemingsvrijstelling ter zake van het middellijk gehouden lucratieve belang. Is het zo dat deze afdracht van vennootschapsbelasting zit in de ‘weerspiegeling’ van de voordelen?
Conclusie
De NVP kan zich vinden in meer evenwichtige belastingheffing binnen het bestaande belastingstelsel ten aanzien van carried interest regelingen. De NVP verzoekt om het wetsvoorstel op een aantal essentiële punten aan te passen en meer duidelijkheid te verschaffen op de punten zoals hierboven verwoord. Daarnaast lijkt ons een eerbiedigende werking voor bestaande lucratieve belangen zeer redelijk.
Met vriendelijke groet,
NEDERLANDSE VERENIGING VAN
PARTICIPATIEMAATSCHAPPIJEN
André Olijslager
Voorzitter
Tjarda Molenaar
Directeur
|