Nederlands English
 

NVP

2008-05-28

Reactie NVP op wetsvoorstel Carried Interest maatregelen

Het wetsvoorstel met belastingmaatregelen voor excessieve beloningsbestanddelen bevat een onderdeel over de carried interest (en carried interestachtige regelingen). Rendementen op aandelen, schuldvorderingen, ratchets e.d. (‘lucratieve belangen’) worden in Box 1 belast als resultaat uit overige werkzaamheden. Hieraan zijn diverse voorwaarden verbonden. Wanneer de betreffende belangen via een eigen BV worden gehouden, kan de belastingheffing vervangen worden door een niet uitgestelde a.b.-heffing in Box 2.

De NVP kan zich vinden in meer evenwichtige belastingheffing binnen het bestaande belastingstelsel ten aanzien van carried interest regelingen, mede om een einde te maken aan de huidige praktijk van fiscale onzekerheid en rechtsongelijkheid tussen partijen. Het wetsvoorstel leidt volgens de NVP echter niet tot een evenwichtige heffing, het creëert juist meer rechtsonzekerheid. De NVP vraagt dan ook om het wetsvoorstel op een aantal essentiële punten aan te passen en meer duidelijkheid te verschaffen over de reikwijdte van het voorstel. Het voorstel voorziet niet in een overgangsregeling. Dit zou betekenen dat het wetsvoorstel materieel terugwerkende kracht heeft en dat daarmee bestaande regelingen onder dit nieuwe regime gaan vallen per 1 januari 2009. Dit zal verstrekkende (financiële) gevolgen hebben. Dat betekent dat waardestijgingen van voor 1 januari bij realisatie na 1 januari ook volledig belast worden op basis van de nieuwe bepalingen. Wanneer het lucratieve belang nu in Box 3 is belast, wordt hiervoor geen tegemoetkoming gegeven in het nieuwe regeling. De NVP vindt het zeer redelijk wanneer alsnog in een overgangsmaatregel wordt voorzien.

Voor een uitgebreide reactie zie de brief van de NVP aan de Tweede Kamer:

Tweede Kamer der Staten-Generaal
Vaste Kamercommissie voor Financiën
Mr. R.F. Berck, griffier
Postbus 20018
2500 EA Den Haag

Amsterdam, 27 mei 2008

Betreft: Reactie NVP op wetsvoorstel Belastingheffing excessive beloningsbestanddelen


Geachte leden van de Commissie,

De Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (hierna 'de NVP') heeft met belangstelling kennis genomen van het Wetsvoorstel Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen (hierna ‘het Wetsvoorstel’), de Memorie van Toelichting hierop en het advies van de Raad van State.

Algemeen
De NVP kan zich vinden in een meer evenwichtige belastingheffing binnen het bestaande belastingstelsel ten aanzien van carried interest regelingen, mede om een einde te maken aan de huidige praktijk van fiscale onzekerheid en rechtsongelijkheid tussen partijen. Om deze reden heeft de NVP dan ook met belangstelling de vooraankondiging van een wetsvoorstel in december 2007 ontvangen. Het doel van het Wetsvoorstel dient volgens de NVP te zijn:

- een einde te maken aan de situatie van onzekerheid voor Nederlandse en buitenlandse investeringsmaatschappijen en managers ten aanzien van belastingheffing over carried interest regelingen;
- het introduceren van een duidelijke en evenwichtige heffing van carried interest regelingen, in lijn met regelgeving hieromtrent in het buitenland, zodat het Nederlandse vestigingsklimaat als concurrerend en betrouwbaar wordt beschouwd

Naar aanleiding van het verschijnen van het Wetsvoorstel op 13 mei 2008 heeft de NVP aanleiding gezien inhoudelijk nader te reageren, vooral omdat het Wetsvoorstel op essentiële punten afwijkt van wat eerder is aangekondigd door het Ministerie van Financiën. De NVP heeft daarom gemeend een adequate reactie te moeten geven. Het voornaamste inhoudelijke commentaar, evenals vragen ten aanzien van het Wetsvoorstel zijn hieronder samengevat.

Reikwijdte van het Wetsvoorstel
De initiële reikwijdte van het Wetsvoorstel betrof zogenaamde carried interest regelingen. Onder de voorgestelde wettekst vallen niet alleen carried interest regelingen maar ook reguliere management participaties en zelfs medewerker participaties binnen een private equity of venture capitalist omgeving. Middels een persbericht op 22 mei 2008 heeft de Minister bestreden dat de regeling ook ziet op medewerker participaties en alleen bedoeld is voor regelingen die voorzien in bijzondere condities, zoals een hefboomwerking. De NVP juicht dit in beginsel toe maar vraagt om een vastlegging en verduidelijking hiervan in de wettekst.

Wat gebeurt er bijvoorbeeld in situaties waarbij aan medewerkers de mogelijkheid wordt geboden om in dezelfde instrumenten te investeren als de private equity investeerders (de zogenaamde Strip) met hetzelfde verwachte rendement? Het is gebruikelijk dat op een dergelijke investering een aanbiedingsregeling bij einde dienstverband van toepassing is. Deze regelingen worden voornamelijk aan een brede groep werknemers aangeboden en er is geen sprake van een hefboomwerking ten opzichte van de investeerders. Vallen op basis van de wettekst dergelijke regelingen binnen het bereik van de wetgeving?

Daarnaast wijkt onder het Wetsvoorstel de regeling voor vergelijkbare rechten af van de regeling zoals van toepassing op een investering in aandelen. Dit betekent dat indien werknemers een winstafhankelijke lening verstrekken aan hun werkgever, deze lening in beginsel onder het bereik van het Wetsvoorstel valt ongeacht of er sprake is van een hefboom effect of een disproportioneel rendement. Is dit een beoogd effect van het Wetsvoorstel? Met andere woorden, speelt bij de situaties van lid 3 en 4 van artikel 3.92b de 10%-grens van lid 2 in feite een zelfde rol?

Naast bovengenoemde situaties zijn er nog tal van andere naar onze mening onbedoelde situaties die onder de reikwijdte van het voorstel vallen. Is het de intentie van de Minister om, bijvoorbeeld, een zelfstandig ondernemer die voor de uitbreiding van zijn onderneming een investering in preferente aandelen aantrekt van een durfinvesteerder (venture capitalist) onder deze wetgeving te laten vallen?

Onevenwichtige heffing
In de eerdere aankondiging van de wetgeving is door de Staatssecretaris expliciet aangegeven dat een belastingheffing over “disproportionele rendementen” wordt beoogd. In dit kader past het volgens de NVP dat voor zover rendementen die worden gerealiseerd met een lucratief belang gelijk zijn aan reguliere rendementen (dat wil zeggen rendementen die worden gerealiseerd zonder een hefboomeffect), deze rendementen niet binnen het bereik van de voorgestelde wetgeving vallen. Het huidige Wetsvoorstel begrijpt deze rendementen wel in de heffing als resultaat uit werkzaamheden waarbij geen recht wordt gedaan aan het investeringskarakter van dergelijke regelingen. Dit leidt volgens de NVP tot een onevenwichtige heffing. Dit wordt versterkt door het ontbreken van een aftrek voor vennootschapsbelastingdoeleinden voor deze rendementen waardoor er sprake is van een belastingdruk die rond de 64% ligt.

Onduidelijkheden in wetgeving
Op dit moment bestaan er veel onduidelijkheden in het Wetsvoorstel. Dat komt door de gehanteerde begrippen en doordat de Memorie van Toelichting een veel ruimere interpretatie geeft dan blijkt uit de voorgestelde wettekst. De NVP heeft ervoor gekozen om zich van inhoudelijk artikelsgewijs commentaar te onthouden. Zij verwijst hiervoor naar het commentaar van onder meer de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs. De NVP wenst echter nadere verduidelijking ten aanzien van begrippen als ‘het beogen van een beloning te zijn’, ‘het totale aandelenkapitaal’, het verschil tussen middellijke en onmiddellijke belangen en de reikwijdte van de regeling voor 'vergelijkbare rechten'. Dit is van belang omdat de private equity branche zeer internationaal van aard is en hierdoor gebruik wordt gemaakt van uiteenlopende rechtsvormen (bijvoorbeeld: coöperaties, LLP’s, Luxemburgse holdingvennootschappen etc.) en verschillende financiële instrumenten (Preferred Equity Certificates, Loan Stock, Shareholder loans etc.). De gebezigde begrippen dienen daarom nader te worden geobjectiveerd om onzekerheid voor de praktijk te voorkomen. Verder ziet de NVP geen reden waarom niet ook onmiddellijk gehouden lucratieve belangen die als aanmerkelijk belang worden aangemerkt, onder de reikwijdte van art. 3.95b, vijfde lid, kunnen worden gebracht, en vraagt een dienovereenkomstige aanpassing van de voorgestelde wettekst.

Een investering bestaat bovendien veelal uit verschillende instrumenten. Op basis van de voorgestelde tekst is het onduidelijk of deze instrumenten gescheiden dienen te worden beoordeeld of dat de totale investering als een pakketinvestering dient te worden aangemerkt. Dit is bijvoorbeeld van belang indien een zogenaamde ratchet regeling van toepassing is. De NVP verzoekt daarom om duidelijkheid hieromtrent.

Ontbreken van overgangsbepalingen
Het Wetsvoorstel voorziet niet in een overgangsregeling en door de waarderingsbepaling zoals opgenomen in artikel 3.95b lid 1 worden bestaande participatieregelingen die kwalificeren als een lucratief belang binnen het bereik van de voorgestelde wetgeving gebracht. Omdat ook dient te worden afgerekend over de waarde van de investering die is aangegroeid voor de datum inwerkingtreding van het Wetsvoorstel, is er effectief sprake van terugwerkende kracht. Bovendien wordt geen rekening gehouden met al afgedragen Box 3 belasting, wat dubbele heffing tot gevolg heeft. De NVP vindt dit onaanvaardbaar en acht dit een ernstige schending van de rechtszekerheid. De terugwerkende kracht van het wetsvoorstel druist in tegen de eisen van redelijkheid en billijkheid en schaadt de positie van Nederland als fiscaal betrouwbaar vestigingsklimaat. Dit wordt versterkt door de dreiging van verdere wetgeving die wordt geuit in de Memorie van Toelichting, met name indien deze ook retroactieve werking heeft. De NVP verzoekt om deze reden met klem om alsnog overgangsmaatregelen te treffen zoals een eerbiedigende werking voor belangen die al werden gehouden voor 13 mei 2008 of een soort step-up regeling, zoals van toepassing onder het aanmerkelijk belang regime.

Internationale context
De private equity branche is zeer internationaal van karakter. De NVP vraagt aandacht voor de gevolgen die de voorgestelde wetgeving heeft op de internationale mobiliteit van personen die een lucratief belang houden. Onder de voorgestelde wetgeving zal een in Nederland woonachtige en werkzame persoon die emigreert naar het buitenland (bijvoorbeeld vanwege businessredenen) moeten afrekenen over zijn lucratief belang indien hij Nederland verlaat, ook al betreft het een papieren winst.

Buitenlandse managers die een lucratief belang houden en naar Nederland immigreren, betalen in Nederland belasting over de volledige waardeaangroei van hun investering, inclusief de buiten Nederland aangegroeide winsten, door het ontbreken van een step-up regeling. Dit leidt in veel gevallen tot dubbele belastingheffing. Volgens de NVP betreft het hier ongewenste gevolgen van het Wetsvoorstel die het vrij verkeer van personen belemmeren. De NVP verzoekt dan ook een regeling voor dergelijke situaties te treffen.

Het onderbrengen van de opbrengsten uit een lucratief belang onder het resultaatregime, leidt tot veel onduidelijkheid bij toepassing van de belastingverdragen en kan tot dubbele heffing leiden. De NVP wenst te weten of in voorkomende gevallen van dubbele heffing Nederland bereid is om terug te treden of een creditering van de buitenlandse belasting toe te staan.

Administratieve lastenverzwaring
De NVP meent dat het Wetsvoorstel zwaardere administratieve lasten met zich meebrengt voor de personen die een lucratief belang houden door de onduidelijkheden ten aanzien van de kwalificatie als lucratief belang en door de fiscale behandeling als resultaat uit werkzaamheden. Ook het verschil in belastingheffing tussen middellijk en onmiddellijk gehouden lucratieve belangen leidt in de praktijk tot een administratieve lastenverzwaring door het naar verwachting toenemende gebruik van besloten vennootschappen. Hier komt bij dat onder de voorgestelde wetgeving er geen sprake is van een verlaging van de administratieve lasten en verplichtingen voor werkgevers. Er kan nog steeds sprake zijn van een loonelement bij verkrijging van een lucratief belang. Dit leidt tot een mogelijke inhoudingverplichting bij de werkgever indien de Belastingdienst en werkgever van mening verschillen ten aanzien van de waardering van de investering. Aan de onduidelijkheid en onzekerheid van de huidige fiscale praktijk komt daarom door het wetsvoorstel geen einde. Het huidige wetsvoorstel voorziet alleen in meer onduidelijkheid en onzekerheid. Dit NVP acht dit onwenselijk. Het is een overweging om een fictief middelijk AB – namelijk via een verzoek (zoals een check the box keuze) te introduceren. Dit om de administratieve.lasten daadwerkelijk laag te houden.

Conclusie
De NVP kan zich vinden in meer evenwichtige belastingheffing binnen het bestaande belastingstelsel ten aanzien van carried interest regelingen, mede om een einde te maken aan de huidige praktijk van fiscale onzekerheid en rechtsongelijkheid tussen partijen. Het wetsvoorstel leidt volgens de NVP echter niet tot een evenwichtige heffing, het creëert juist meer rechtsonzekerheid. Concluderend verzoekt de NVP dan ook om het wetsvoorstel op een aantal essentiële punten aan te passen en meer duidelijkheid te verschaffen over de reikwijdte van het voorstel. Daarnaast lijkt het de NVP zeer redelijk om in een overgangsmaatregel, die thans ontbreekt, te voorzien.


Met vriendelijke groet,
NEDERLANDSE VERENIGING VAN
PARTICIPATIEMAATSCHAPPIJEN



André Olijslager
Voorzitter

Tjarda Molenaar
Directeur

 

 

  Home | Zoek | Contact | Glossary | Links| Disclaimer